artikel
nieuws / Verstuur / di 19 augustus 2008 /

Kees Sluys bewijst eer aan de Tienkamp

Klassiek boek over de geschiedenis van het koningnummer van de atletiek

De tienkamp is het mooiste nummer van de Olympische Spelen. Wie daar nog niet van overtuigd is leze “Snel, hoog en ver” van Kees Sluys. Het boek is niet alleen een liefdesverklaring aan de koningen van de atletiek, maar ook een voor het Nederlandse taalgebied uitzonderlijke geschiedschrijving van een internationale sportdiscipline die in ons land helaas weinig aanzien heeft.

“Vervolgens ging de lat naar 4.83 meter. Een unicum in de tienkamphistorie. Het was een “onmogelijke” hoogte: de tabellen ging niet verder dan een nooit gedachte 4.82. Wat te doen met die ene extra centimeter? (…) Veligheidshalve waardeerden de officials de 4.83 als 4.82. Intussen overmeesterde Yang ook die hoogte moeiteloos. En scoorde er 1515 (!) punten mee. Vervolgens liet hij de lat op 5.03 meter leggen. Wereldrecordhoogte!” (zie ook de Polygoon-beelden van dit record)

Van de vele kleurrijke figuren die in de tienkamp-geschiedenis de revue passeren, is de Taiwan-Chinees Chuan-Kwang Yang één van de opvallendste. Afkomstig van een destijds politiek en sportief uiterst geïsoleerd eiland, groeide hij in de jaren vijftig uit tot één van de grootste tienkampers aller tijden. Zijn afsluitende 1500-meter duel om de gouden medaille met zijn Amerikaanse UCLA-ploeggenoot Rafer Johnson bij de Olympische spelen van 1960 in Rome, een gevecht waarin we door Sluys minutieus worden meegesleept, behoort tot de klassiekers uit de Olympische geschiedenis. Gelukkig won Johnson, want anders had Yang zijn carrière vermoedelijk niet vervolgd. En zou hij niet de eerste tienkamper geworden zijn die op 28 april 1963 in Walnut niet alleen door alle polsstok-barrières heen sprong, maar ook –ondanks de extra polsstok-punten waar hij van verstoken bleef!- de eerste tienkamper werd die de magische grens van 9000 punten doorbrak.

Tienkampers én hun fans voelen zich terecht wat verheven boven hun eendimensionale mede-atleten. Die lopen hard, gooien met speren, kogels of discussen, of springen hoog of ver. De tienkamper doet dat allemaal achter elkaar op twee dagen. De training is zo complex en intensief, dat tienkampers tot de meest geblesseerde atleten behoren. Alleen de allergrootste tienkampers weten de perfecte balans te vinden tussen lichaam en prestatiegrens.

Uiteraard trekken ze allemaal aan ons voorbij. Jim Thorpe natuurlijk, de allereerste Olympische tienkampwinnaar van 1912 die zijn gouden medaille moest inleveren toen bleek dat hij ooit wel eens geld had gekregen voor een partijtje honkbal. Pas in 1983 werd de al in 1953 overleden Thorpe door IOC-baas Antonio Samaranch posthuum gerehabiliteerd. Het leuke van het boek van Sluys is dat hij dit klassieke tienkamp-verhaal niet alleen smakelijk vertelt, maar ook nog even speciaal het Stockholmse Olympische Stadion bezoekt om te constateren dat de naam van Thorpe ten onrechte nog niet op de koperen plaat met de namen van de Olympische winnaars van 1912 is bijgegraveerd.

Hoe groots de tienkamp eigenlijk is, merk je aan de echo’s die de grote namen uit het recente verleden nog steeds oproepen. Elke modale sportvolger herinnert zich nog de namen van Bruce Jenner (1976), Daley Thompson (1980 en ’84), Dan O’Brien en Dave Johnson, en het Tsjechische trio Robert Zmelik (1992), Tomas Dvorak (3e 1996) en Roman Sebrle (2004). Het feit dat zij als tienkamper hun naam veel sterker hebben laten overleven dan die van menig winnaar van een “los” atletieknummer, toont aan dat ons geheugen bijna vanzelf een hiërarchie aanbrengt die niet gebaseerd kan zijn op een overexposure aan tv-beelden. Omdat de tienkamp slechts voor fijnproevers is, laat ook de tv het bij gebrek aan hoge kijkcijfers (behalve in Estland!) veel te vaak afweten.

Het boek van Kees Sluys leest als een klassieker. De historische hoofdstukken worden prettig onderbroken door de persoonlijke speurtocht van de schrijver die vier jaar investeerde om waar ook ter wereld de nog levende legendes en helden van nu te bevragen. Dat brengt hem bijvoorbeeld in Estland, het land van de Olympische winnaar van 2000 Erki Nool (de eerste Estse gouden medaille ooit – na een discutabele herkansing op het speerwerpen), en het enige land dat een tienkamp-cultuur kent. Het is fascinerend te lezen hoe de tienkamp al tijdens het onafhankelijke Estse interbellum populair werd nadat tienkamper Alexander Klumberg in 1920 op de Zomerspelen van Antwerpen de allereerste Estse (bronzen) medaille veroverde, en enkele weken later in de eigen hoofdstad Tallinn het eerste wereldrecord volgens de nieuwe puntentelling behaalde. Na de inlijving bij de Sovjet-Unie was het over en uit met het eigen Estse sportleven. De tienkamp ging ondergronds en in het verzet. Heino Lipp zat als Estse Sovjet-tienkamper in 1946 al in het vliegtuig naar Oslo voor de Europese titelstrijd, maar werd op het laatste moment door de KGB uit het toestel geplukt vanwege “vluchtgevaar”. Sluys deed de moeite om ook zulke verhalen op te tekenen (in dit geval uit de mond van de Estse tienkamp-historicus Erlend Teemägi). Door expliciet de namen op te nemen van al die andere vergeten en vertrapte Estse tienkampers creëert de tienkamp opeens zijn eigen poëzie: Indrek Kaseorg, Kaidu Meitern, Arnold Niggol, Pritt Paalo en Rein Sokk. Als in Jalta de streep dwars door Europa wat anders getrokken zou zijn, zouden deze prachtige namen wellicht in talloze Olympische Stadions over de wereld in graniet zijn vereeuwigd, en was Erki Nool allang president van Estland, in plaats van de parlementariër die hij nu is..

Natuurlijk wordt de tienkamp in eigen land niet vergeten. Volkomen terecht krijgt Jan Brasser, de Olympische nummer vijf van Berlijn 1936, eindelijk de eer die hem toekomt. Eef Kamerbeek is de eerste decatleet die enige bekendheid genoot. In 1956 diende hij als medaillekandidaat nog gehoor te geven aan het bizarre besluit van het NOC om de spelen te boycotten vanwege de Russische inval in Hongarije, maar vier jaar later revancheerde Kamerbeek zich in Rome prachtig met de vijfde plaats. Omdat Robert de Wit nooit wist te pieken bij de Spelen, en Chiel Warners in Athene eveneens uiterst eervol vijfde werd, wacht Nederland nog steeds op de eerste medaille op het koningsnummer van de atletiek. Laten we hopen dat het met zoveel passie door Kees Sluys geschreven “snel, hoog en ver” de tienkampcultuur ook in ons land de status geeft die het verdient: het koningsnummer van het meest historische onderdeel van de Olympische spelen, de atletiek.

O ja: één vraag beantwoordt Sluys helaas niet. Hoe komt het dat de tienkamp exclusief voorbehouden is aan mannen, en vrouwen (ze komen in het boek van Sluys om die reden nauwelijks voor) het moeten doen met een zevenkamp? De emancipatie in de Olympische sport heeft de vrouwen inmiddels volkomen gelijkberechtigd, op drie uitzonderingen na: boksen, skispringen en de tienkamp!

Marnix Koolhaas

Kees Sluys: "Snel, hoog, ver: Geschiedenis van de tienkamp" (uitg. Thomas Rap, Amsterdam) isbn 9789060057452

Voeg uw reactie toe

Technische vraag?
  • Uw naam

    E-mail

  • Reageer

Ontdek Omroep.nl