Items
-
1 Inleiding Erewoordverklaring
-
2 Wel of niet tekenen? Motivaties
-
3 Soest en Juliusburg Leerscholen in ontsnappen
-
4 Slot Colditz Bad boys camp
-
5 Dagindeling De ontsnappingsofficier
-
6 Appèl Overdressed
-
7 Ontsnappingen Een bladerdoek, poppen en een ontsnappingsput
-
8 Na de oorlog Geen koninklijke onderscheiding
- 101 Bronnen
- 103 Literatuur
Wel of niet tekenen?
Motivaties
2
Volgens de Conventie van Genève is het Nederlandse officiers toegestaan onder bepaalde omstandigheden zo’n erewoordverklaring te tekenen. De situatie in mei 1940 is echter nogal onduidelijk, mede omdat Generaal Winkelman direct bij de capitulatie gevangen is genomen en dus niets meer kan zeggen. In de achtergebleven legertop bestaat geen overeenstemming over de te volgen koers. Uiteindelijk komt er een wat halfslachtig advies de verklaring wél te tekenen, maar een dwingend commando is het niet.
Het overgrote deel van de ruim 2000 Nederlandse officieren besluit de verklaring te tekenen en daarmee krijgsgevangenschap te voorkomen. Slechts 69 militairen weigeren: zes generaals, vijftig officieren (acht van de marine, drie van de landmacht en negenendertig van het Koninklijk Nederlands Indisch Leger), twaalf cadetten en één stoker van de marine. Wat opvalt is het grote aantal niet tekenaars onder de KNIL militairen. Zij zijn in mei 1940 op verlof in Nederland, geven les of - zoals in het geval van Hageman - zitten op de Koninklijke Militaire Academie. In zekere zin is het voor KNIL militairen makkelijker om niet te tekenen. In KNIL-voorschriften staat namelijk nadrukkelijk vermeld dat het verboden is om een erewoordverklaring te tekenen, in tegenstelling tot de voorschriften voor militairen in Nederland.
Kruimink: ’Die erewoordverklaring was voor mij net te veel. Een maand daarvoor was ik officier geworden, had ik mijn erewoord aan de Hare Majesteit en onze wetten afgelegd en dan zou ik nu een nieuw erewoord moeten afleggen aan de Duitsers, terwijl mijn koningin en mijn marine waren vertrokken en door vochten. Voor mij lag het simpel: ik hoefde niet te tekenen.’ Ook Steinmetz ziet geen reden om zijn eed aan Wilhelmina te breken: ‘Als je eenmaal begint zulke verklaringen te tekenen die de Duitsers je voorleggen, waar eindigt het dan mee?’ ‘Het zijn allemaal nuttige argumenten’, geeft Hageman toe, ‘maar in mijn geval was het tachtig procent emotie. Ik was jong, boos, recalcitrant en arrogant. Ik had wel verwacht gevangen te worden genomen, maar ik dacht: ze gooien ons in een Nederlandse cel om ons buiten de oorlog te houden. Ik had niet verwacht dat ze ons de dag erop al naar Duitsland zouden brengen.’
Voorbereid op het ergste hebben de meeste weigeraars enige verschoning in een koffertje bij zich. Alleen Arie Ligtemoet heeft niets bij zich. In eerste instantie tekent hij, maar hij bedenkt zich, loopt terug, pakt het formulier en verscheurt het. (Later zal hij succesvol ontsnappen. Hij sterft waarschijnlijk in 1948 in Russische krijgsgevangenschap.) De verhouding tussen Duitsers en de Nederlanders is opmerkelijk respectvol. De Duitsers hebben in zekere zin wel bewondering voor het principiële standpunt van de weigeraars. Aan Steinmetz wordt nog gevraagd of hij naar huis wil om afscheid te nemen van zijn ouders. Steinmetz: ‘Mijn antwoord was: “Dank u wel, wij zijn klaar”’.