‘t Vliegent Hert
5
De Oost-Indiëvaarder ‘t Vliegent Hert is op 3 februari 1735 voor haar tweede tocht naar Batavia uitgevaren uit het Zeeuwse Rammekens, samen met de Anna Catharina. Aan boord 167 bemanningsleden, 83 soldaten, zes passagiers en een lading van hout, bouwstenen, ijzer, kruit en drie kisten met gouden en zilveren munten. Voor de twee schepen uit voer een loodsboot, die ze tijdens een noordooster storm tussen de zandbanken van het Deurloo kanaal moest leiden. Rond vijf uur raken beide schepen een zandbank. De Anna Catharina vergaat meteen met man en muis, ‘t Vliegent Hert kan na vier uur loskomen en naar het diepere water van de Schooneveld Scheur varen maar is zo beschadigd dat het schip plotseling zoveel water dat het binnen een kwartier zinkt. De VOC-kamer Zeeland laat daarna de plek waar de schepen zijn gezonken op kaarten vastleggen, om de schepen te kunnen bergen. Maar tevergeefs.
Onderwaterarcheologie is duur. Je hebt een goed uitgerust schip en duikers nodig, het kost veel tijd, omdat je vanwege het weer niet iedere dag kunt duiken en omdat er uitgebreide veiligheidsmaatregelen nodig zijn. Zeker in het deel van de Westerschelde waar ‘t Vliegent Hert ligt, waar de stroming sterk is en het zicht zo slecht is dat een duiker amper een hand voor zijn ogen kan zien. Opgraven onder water kost dus veel geld.
Cowan, die de manager van de opgraving is zoekt en vindt een financier in John Rose, een man die zijn fortuin heeft gemaakt als eigenaar van de Kentucky Fried Chicken-restaurants in Engeland. Hun samenwerkingsverband krijgt de naam North Sea Archaeological Group.
De met goud omhangen, flamboyante Rose baart regelmatig opzien in het zûnighe Vlissingen, de uitvalbasis van de expeditie, door steevast zijn goudkleurige Rolls Royce pal aan de kade te parkeren, talloze parkeerbonnen voor lief nemend.